De invloed van Internet op onze hersenen

Volgens Nicholas Carr, schrijver van het boek `The Shallows, what the Internet is doing to our brains’, zorgt het Internetgebruik in de huidige maatschappij er voor dat mensen sneller hun concentratie verliezen en minder vaak en diep nadenken.

woman-163425_640Dit vertelde Carr deze week in een lezing op de Universiteit van Amsterdam op een bijeenkomst gepresenteerd door Joris Luyendijk.

Volgens Carr is het Internet een nieuwe technologie die handig en efficiënt is voor het vinden van informatie. De voordelen van het massale gebruik van Internet zijn volgens hem dat we steeds beter worden in het scannen van teksten op webpagina’s, op zoek naar relevante informatie. Verder leent het Internet zich perfect voor het opdoen en onderhouden van (nieuwe) sociale contacten, waarbij grenzen een steeds minder grote rol spelen. Door het gebruik van Internet maken we volgens hem nieuwe verbindingen in onze hersenen, uitmondend in nieuwe vaardigheden. Dit heeft als keerzijde dat we minder goed worden in andere vaardigheden, zoals langdurig concentreren en beschouwend nadenken.

Carr geeft aan dat het Internet een informatierijke omgeving is, waar men erg veel wordt blootgesteld aan afleidingen. Voornamelijk door de opkomst van sociale media, waarbij men continu wordt afgeleid door inkomende persoonlijke berichten, tweets, nieuws, en mensen van pagina naar pagina springen via hyperlinks en zoekresultaten. Door dit multitasken worden we steeds gemakkelijker afgeleid en het Internet moedigt deze afleidingen volgens hem juist aan. Uit onderzoek in de V.S. blijkt volgens Carr dat mensen gemiddeld slechts 10-20 seconden naar een webpagina kijken, werknemers gemiddeld 30-40 keer per uur hun mailbox controleren en tieners maandelijks 3300 smsjes versturen. Als je deze zaken allemaal bij elkaar optelt en ze ziet als onderbrekingen in onze gedachtestroom dan zie je dat we op een andere manier met informatie omgaan dan vroeger, namelijk veel vluchtiger.

Dit heeft volgens hem als nadeel dat je informatie minder diep interpreteert. In een studie (Nass, 2009) is onderzocht hoe media-multitaskers presteren ten opzichte van mensen die niet (veel) multitasken. Uit de resultaten bleek dat de multitaskers op alle (cognitieve) gebieden minder presteerden dan de niet-multitaskers. De onderzoekers concluderen dat door multitasken de cognitieve controle verslechtert, uitmondend in slechtere organisatie van informatie in het geheugen en slechtere filtering van irrelevante informatie. Onderzoeker Nass concludeerde dat multitaskers ”suckers for irrelevancy” zijn. Met andere woorden, ze multitasken zoveel dat ze ook op irrelevante informatie reageren en daar ook hun aandacht op vestigen. Door snel afgeleid te zijn, zijn we volgens Carr minder productief, minder creatief en bouwen we minder persoonlijke kennis op.

We kunnen, volgens Carr, echter maar een beperkt aantal zaken tegelijkertijd mentaal verwerken. Het probleem dat het Internet geeft is dat het werkgeheugen overbelast raakt vanwege de grote stroom van informatie. Hierdoor kunnen we zaken vanuit ons werkgeheugen slechter overbrengen naar onze lange termijngeheugen. Het lange termijngeheugen zorgt er voor dat we informatie aan elkaar kunnen weven, kruisverbanden kunnen maken en we informatie opslaan als persoonlijke kennis op een dieper niveau. Continu afgeleid worden door teveel informatie zorgt voor cognitieve overbelasting en daardoor neemt het concentratie- en bevattingsvermogen, begrip en geheugen af en juist het Internet zorgt er voor dat we in deze staat blijven verkeren.
Nadenken

Carr geeft aan dat onder meer door bovenstaande zaken we steeds minder goed worden in diep nadenken. Tegenwoordig lijken mensen zich zelfs te generen wanneer ze ergens helemaal alleen zijn, compleet stil en alleen met hun gedachten. Alleen zijn en tijd nemen om beschouwend en bespiegelend na te denken stond vroeger centraal om intellectueel na te denken. De hoogste vorm van denken was gefocust en gedisciplineerd nadenken. Maar dit past niet meer in deze tijd, zegt Carr. Er is dan volgens hem ook geen plek meer voor een symbool als De Denker van kunstenaar Rodin op het Internet. Door het verlies aan intellect verliest de maatschappij aan culturele rijkdom. Er zijn steeds minder mensen die diep nadenken, wat uiteindelijk leidt tot minder intellectuele mensen. Er is simpelweg te weinig tijd om alles dieper te analyseren en kuisverbanden leggen. Internet ontmoedigt het nu eenmaal om grondig ergens aandacht aan te besteden voor een langere periode.

Carr haalt de uitspraak van T.S. Elliott aan:
Where is the wisdom we have lost in knowledge?
Where is the knowledge we have lost in information?
Hiermee aangevend dat het verzamelen van informatie of het snel opzoeken van informatie niet voldoende is voor het verkrijgen van wijsheid.

De enige mogelijkheid om oude vaardigheden te herwinnen is door je van het Internet te distantiëren. Maar het veranderen van gewoonten is lastig, vooral naarmate je meer gewend bent geraakt aan het medium. Het brein houdt, volgens Carr, per definitie niet van veranderen. Daarnaast richt onze maatschappij zich steeds meer op het gebruik van Internet. Het nieuwe werken is daarvan een voorbeeld, net zoals het contact met vrienden en gelijkgestemden op sociale netwerken, maar ook overheden die (soms volledig) overstappen op digitale werkwijzen. Daardoor is het nog moeilijker om jezelf los te weken van het Internet.

Wellicht ontstaat er op termijn een anticulturele beweging die zich af wil zetten tegen de inmenging van technologie in ons dagelijks leven. Volgens hem lijkt het alsof het Internet de mensen steeds meer in een net begint te vangen. Wat dit in de toekomst allemaal zal gaan betekenen is volgens Carr nog onzeker en zal naar verloop van tijd duidelijk worden. Op de slotvraag van Joris Luyendijk welke ene zin hij de toehoorders nog wil meegeven, antwoordt Carr simpelweg: “Don’t be afraid to think deeply.”